Kleine luchtvaart onveiliger dan grote luchtvaart

In de periode 2005-2011 eindigden in Nederland vier op de miljoen vluchten in de kleine luchtvaart in een fataal ongeval. Daarmee is de kleine luchtvaart een factor 10 onveiliger dan de grote luchtvaart, waar vier op de tien miljoen vluchten in een fataal ongeval eindigen. Belangrijkste redenen: de tekortschietende vliegvaardigheid en risicoperceptie van de piloten. In mindere mate gaat het om bijvoorbeeld technische mankementen of weersomstandigheden. Dit schrijft de Onderzoeksraad voor Veiligheid in het vandaag gepubliceerde rapport ‘Ongevallen in de kleine luchtvaart’.

Ook in vergelijking met andere vormen van transport zijn de ongevalscijfers in de kleine luchtvaart hoog: zo vielen in het wegverkeer per 1000 (bestel)auto’s jaarlijks 0,05 doden en per 1000 motoren 0,12 doden. In de kleine luchtvaart gaat het om 1,2 doden per 1000 luchtvaartuigen.
 
De Onderzoekraad vindt dan ook dat piloten hun vliegvaardigheid en kennis dan ook beter op peil moeten houden; de sector moet zich meer bewust worden van de eigen verantwoordelijkheid voor de vliegveiligheid. Piloten, vliegclubs, -scholen en vliegbedrijven en belangenorganisaties in de kleine luchtvaart zijn aan zet om de veiligheid van de kleine luchtvaart te verbeteren. De verplichting tot de invoering van een veiligheidsmanagementsysteem (VMS light) biedt mogelijkheden om veiligheid op korte termijn op de agenda te zetten.
 
De inspanning van de overheid op het gebied van toezicht, inspecties en actieve campagnes in de kleine luchtvaart is de afgelopen jaren verminderd. De overheid richt zich vooral op de veiligheid in de grote luchtvaart, waar grote hoeveelheden betalende passagiers worden vervoerd. Voor een voldoende niveau van vaardigheden en risicoperceptie van de piloten in de kleine luchtvaart is het onvoldoende als de sector zich enkel aan de wettelijke eisen houdt. Voldoende veiligheid kan alleen worden bereikt wanneer de sector zelf aanvullende maatregelen neemt, zoals het organiseren van opfriscursussen en verplichte veiligheidsbijeenkomsten.
 
Aanleiding voor het onderzoek van de Onderzoeksraad voor Veiligheid waren de sterk stijgende ongevalcijfers in Nederland in 2012. In de voorafgaande periode, 2005-2011 waren er gemiddeld 10 ernstige incidenten en 11 ongevallen per jaar; in 2012 was plotseling een stijging te zien. Er waren 17 ernstige incidenten en 22 ongevallen, met 5 doden en 7 ernstig gewonden.
De analyse van de voorvallen biedt overigens geen duidelijke verklaring van deze piek. Mogelijk is er sprake van toeval. In heel Europa daalde het aantal ongevallen in de kleine luchtvaart in 2012. Het is nodig om de ongevalcijfers langer te monitoren om een eventuele trend op langere termijn te bepalen.
 
Onderwerp van onderzoek waren zweefvliegtuigen en vaste vleugelvliegtuigen met een maximale startmassa van 5670 kg (aangedreven door zuigermotor(en) of één turbopropmotor).  Het onderzoek heeft daarmee betrekking op ongeveer 60% van de Nederlandse vloot (1674 luchtvaartuigen in 2012). Het gaat om recreatieve, commerciële (vooral instructievluchten) en maatschappelijke vluchten (onder andere politie- en inspectievluchten).

De Raad heeft 189 voorvallen (2005-2012) uit de eigen database geanalyseerd, statistieken verzameld, een enquête onder piloten gehouden en diverse partijen uit zowel de branche als de overheid geïnterviewd (o.a. vliegclubs, vliegscholen, brancheorganisaties, de Inspectie Leefomgeving en Transport). De voorvallen waarbij de meeste doden en gewonden vallen, zijn de ongevallen waarbij het luchtvaartuig overtrokken raakt en neerstort, gevolgd door de ongevallen waarbij de piloot gedesoriënteerd raakt door mist  of bewolking en het toestel tegen de grond vliegt, en de botsingen in de lucht. Voorvallen die vaak voorkomen maar meestal niet ernstig aflopen, zijn de nood- of voorzorgslandingen na een motorstoring en de voorvallen waarbij de piloot de controle over het toestel verliest tijdens de landing.