Back to Mortar accident Mali

Reactie op onderzoek van het KC Wapensystemen en Munitie m.b.t. mortierongeval Mali

De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft in zijn rapport Mortierongeval Mali (september 2017) een aanbeveling gedaan aan de minister van Defensie om de resterende voorraad 60-mm HE80-granaten niet meer te gebruiken. Het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie (KCW&M) van het Ministerie van Defensie heeft onderzocht hoe op veilige wijze deze resterende voorraad granaten veilig afgevoerd en vernietigd kan worden. De minister van Defensie heeft het onderzoeksrapport van het KCW&M met een begeleidende brief op 22 augustus 2019 naar de Tweede Kamer gestuurd. Naast een advies over de afvoer van de granaten, besteedt het KCW&M in zijn rapport aandacht aan de oorzaak van het mortierongeval in Mali. De conclusies van het KCW&M over de oorzaak verschillen van de conclusies van de Onderzoeksraad. Het KCW&M stelt dat de oorzaak van het mortierongeval te maken heeft met een productiefout bij de fabrikant.

Ter verificatie heeft de Onderzoeksraad een nadere analyse gemaakt van de conclusies van het KCW&M. Daartoe heeft de Raad gebruik gemaakt van aanvullend onderzoek door TNO (zie bijlage 1 en 2 onderaan deze pagina). Dit instituut heeft in opdracht van de Onderzoeksraad ook technisch onderzoek verricht voor het initiële onderzoek van de Raad naar het mortierongeval.

Het KCW&M stelt dat de Onderzoeksraad tot een onjuiste conclusie over de oorzaak van het ongeval is gekomen, omdat deze gebaseerd is op waarnemingen aan scherven en onderdelen van schokbuizen, die geen van alle afkomstig zijn van de schokbuis van de ongevalsgranaat. Het door de Raad onderzochte materiaal zou volgens deze redenering bestaan uit restanten van de vijf granaten die na het mortierongeval op verzoek van Defensie door Franse militairen zijn vernietigd bij de ongevalslocatie.

Deze voorstelling van zaken is echter zeer onwaarschijnlijk. De Onderzoeksraad baseert zijn conclusies op onderzoeksmateriaal dat is aangeleverd door de Koninklijke Marechaussee (KMar). De Raad hanteert in dit soort gevallen het algemene uitgangspunt dat de KMar op betrouwbare wijze rapporteert over het verzamelen van onderzoeksmateriaal. De Raad ziet geen reden om in dit onderzoek hieraan te twijfelen.

Verder zijn er ruim voldoende specifieke aanwijzingen en feiten die staven dat het door de Raad onderzochte onderzoeksmateriaal afkomstig is van de ongevalsgranaat. De belangrijkste feiten en aanwijzingen zijn:

  • alle schokbuisonderdelen en -fragmenten zijn in enkelvoud in het onderzoeksmateriaal aanwezig (met uitzondering van de naderhand door de Commissie van Onderzoek van het Ministerie van Defensie gevonden halve afsluitplaat – deze is ook niet in het onderzoek betrokken);
  • de totale massa van de schokbuisfragmenten is kleiner dan de massa van één enkele schokbuis;
  • het onderzoeksmateriaal dat door de KMar conform de formele procedures aan de Raad is overhandigd, bevat naast schokbuisfragmenten en -onderdelen ook de rubberen beschermkap van het vizier van een Colt geweer dat vlakbij de ongevalslocatie lag; TNO heeft aangetoond dat de beschermkap enkele minuten na het ongeval door een Nederlandse militair is opgeraapt;
  • het verzamelde onderzoeksmateriaal is een melange van delen van de mortiergranaat én van de mortier – van deze laatste delen is duidelijk dat ze van het ongeval afkomstig zijn;
  • het scenario dat de Franse militairen eerst de vijf resterende granaten vernietigen om vervolgens de scherven bij de Nederlanders als onderzoeksmateriaal aan te bieden, is onlogisch en daarmee onwaarschijnlijk.

De Onderzoeksraad voor Veiligheid verwerpt de suggestie van het KCW&M dat het onderzoek van de Raad naar het mortierongeval in Mali op het verkeerde onderzoeksmateriaal zou zijn gebaseerd. De Raad houdt onverminderd vast aan zijn eigen conclusies over de oorzaak van het ongeval. De fatale explosie van de mortiergranaat tijdens de oefening van de Nederlandse militairen in Mali is het gevolg van een combinatie van drie factoren, namelijk tekortkomingen in het ontwerp van de schokbuis, opslag van de granaat onder ongecontroleerde condities en het gebruik van de granaat bij een te hoge temperatuur.

Verder ondersteunt de Onderzoeksraad voor Veiligheid de opvatting van de minister van Defensie dat bij de vernietiging van de granaten hiermee rekening moet worden gehouden.

Downloads