News

The latest news from the Dutch Safety Board (Dutch)

Insufficient overview of food safety risks in the Netherlands

Structured approach needed to prevent unnecessary damage to public health

The food safety system in the Netherlands has been shown to be vulnerable. There is no structured approach to detecting and assessing emerging food safety risks. In consequence, risks are not always identified properly or are discovered too late, and people can become ill unnecessarily as a result. This is shown in the report ‘Emerging food safety risks’, which was published 20 June 2019 by the Dutch Safety Board.

In recent years, the Netherlands has been alarmed on several occasions by incidents in the food chain, such as salmonella in smoked salmon, illegal activities with horsemeat, and Q fever. The discovery of the pesticide fipronil in eggs in summer 2017 prompted the Board to investigate the food safety system in the Netherlands. The investigation showed that the food sector mainly focuses on known risks that have arisen in the past. However, changing circumstances can cause food safety risks to occur in a different guise or become more severe. For example, the same toxin that occurs in the Japanese pufferfish was recently found in Dutch shellfish. An improved understanding of emerging risks should result in a more robust food safety system, in which companies and public authorities are less frequently taken by surprise and consumers suffer less damage to health.

Practical lessons

The Dutch Safety Board has investigated a number of examples of the way in which emerging risks are dealt with. In the fipronil incident, it was shown that the use of illegal substances against red mites in laying hens was not recognized as a risk, despite the fact that this had occurred previously. This meant that action was taken too late and millions of eggs had to be withdrawn from the market.

Signals indicating that the risks of pathogens on fruit and vegetables might be greater than previously thought are not being properly picked up and assessed. In the US, fruit and vegetables are considered to be the main cause of food-borne infections, while in the Netherlands, in contrast, the risk is estimated to be very low. It is striking that this disparity has not been investigated and that it is not known which standpoint is closer to reality. However, it is important to have a good understanding of the risks, particularly as fruit and vegetables are so crucial for a healthy diet.

In the period 2007-2010, the emergence of Q fever was recognized too late, which had serious consequences for the people who were infected. In the case of hepatitis E, the increase in infections from pork was detected, but uncertainties as to the risks impeded prompt action.

Identifying risks is complex

Food production and trade have become significantly more complex over the last few decades, making it harder to manage risks. Food products and raw materials come from all over the world and the trade flows are too complex for the associated risks to be clearly understood and evaluated. In addition, the number of vulnerable consumers, such as the elderly and the chronically ill, is increasing. The trend for consuming more raw and unprocessed food is accompanied by risks, as it is more likely that pathogens are not destroyed. All these factors require additional effort in order to continue guaranteeing food safety.

In the overwhelming majority of food-borne infections, the source of the infection is not traced, which is a major shortcoming of the system. It is virtually unknown what has made people ill and in consequence, the infection cannot be tackled at the source. This means, furthermore, that there is a lack of important information for assessing the performance of the food safety system. 

Recommendations

The Dutch Safety Board maintains that a more robust food safety system is essential so as to estimate emerging risks properly in advance and intervene in good time. When incidents occur, it is important for signals to be recognized and acted on more effectively and more rapidly. In the current structure, the detection and assessment of emerging risks is fragmented. To make structural improvements to the understanding of risks, the Board recommends that the Minister of Medical Care and Sport set up an authoritative body. This body could collect information from as many sources as possible – such as academia, the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), the Netherlands Food and Consumer Product Safety Authority (NVWA), food business operators, and consumers – and, in an independent manner, build up a comprehensive overview of emerging risks to food safety. The Minister for Medical Care and Sport should subsequently ensure that the reports are followed up as quickly as possible.

 

Press release Emerging food safety risks

Te weinig zicht op voedselveiligheidsrisico’s in Nederland

Gestructureerde aanpak nodig om onnodige schade volksgezondheid te voorkomen

Het voedselveiligheidssysteem in Nederland blijkt kwetsbaar. Het ontbreekt aan een gestructureerde aanpak om opkomende voedselveiligheidsrisico’s te signaleren en te beoordelen. Risico’s worden daarom niet altijd goed in beeld gebracht of te laat ontdekt, met als gevolg dat mensen onnodig ziek kunnen worden. Dit blijkt uit het rapport ‘Opkomende voedselveiligheidsrisico’s’ dat vandaag door de Onderzoeksraad voor Veiligheid is gepubliceerd.

Nederland is de afgelopen jaren meerdere malen opgeschrikt door incidenten in de voedselketen: bijvoorbeeld door salmonella in gerookte zalm, fraude met paardenvlees en Q-koorts. De ontdekking van het bestrijdingsmiddel fipronil in eieren in de zomer van 2017, was voor de Raad aanleiding om het voedselveiligheidssysteem in Nederland te onderzoeken. Uit het onderzoek blijkt dat de voedselsector zich vooral richt op bekende risico’s die zich in het verleden hebben voorgedaan. Door veranderende omstandigheden kunnen voedselveiligheidsrisico’s zich echter in een andere hoedanigheid voordoen of in ernst toenemen. Zo is hetzelfde gif dat in de Japanse kogelvis voorkomt onlangs ook in Nederlandse schelpdieren aangetroffen. Het verbeteren van het inzicht in opkomende risico’s moet leiden tot een robuuster voedselveiligheidssysteem, waarin bedrijven en overheden minder vaak verrast worden en consumenten minder gezondheidsschade oplopen.

Lessen uit de praktijk

De Onderzoeksraad heeft een aantal voorbeelden onderzocht hoe met opkomende risico’s wordt omgegaan. Bij het fipronilincident bleek dat gebruik van illegale middelen tegen bloedluis bij legkippen niet als risico was onderkend, ondanks dat het al eerder was voorgekomen. Dit zorgde ervoor dat er te laat werd ingegrepen en miljoenen eieren uit de handel moesten worden gehaald.

Het signaal dat de risico’s van ziekteverwekkers op groenten en fruit mogelijk groter zijn dan gedacht, wordt niet goed opgepakt en beoordeeld. In de VS stelt men dat groenten en fruit de belangrijkste oorzaak zijn van voedselinfecties, in Nederland schat men dat risico juist heel laag in. Het opmerkelijke is dat geen onderzoek is gedaan naar dit verschil en dat niet bekend is wie het dichtste bij de waarheid zit. Terwijl het belangrijk is om de risico’s goed te kennen, juist omdat groenten en fruit zo belangrijk zijn voor een gezond dieet.

In de periode 2007-2010 werd de opkomst van Q-koorts te laat onderkend. Dit had ernstige gevolgen voor de mensen die hierdoor besmet zijn geraakt. De toename van hepatitis-E door varkensvlees is weliswaar gesignaleerd, maar de onzekerheden over de risico’s staan een voortvarende aanpak in de weg.

In beeld brengen complex

De productie en handel van voedsel zijn de laatste decennia aanzienlijk complexer geworden,  waardoor het moeilijker is geworden de risico’s te beheersen. Voedsel en grondstoffen komen van over de hele wereld en de handelsstromen zijn te complex om de risico’s ervan te overzien. Daarnaast neemt het aantal kwetsbare consumenten zoals ouderen en chronisch zieken toe. Ook de trend om vaker rauw en onbewerkt voedsel te consumeren brengt risico’s met zich mee. Hierbij is de kans groter dat ziektekiemen niet zijn vernietigd. Dit alles vergt extra inspanning om de voedselveiligheid te kunnen blijven garanderen.

Van het overgrote deel van de voedselinfecties lukt het niet de bron te achterhalen; dat is een belangrijke tekortkoming in het systeem. Het is vrijwel onbekend waardoor mensen ziek zijn geworden. Dit zorgt ervoor dat de besmetting niet bij de bron kan worden aangepakt. Bovendien ontbreekt daardoor belangrijke informatie om de werking van het voedselveiligheidssysteem te controleren.  

Aanbevelingen

De Onderzoeksraad stelt dat een steviger voedselveiligheidssysteem noodzakelijk is om opkomende risico’s vooraf goed te kunnen inschatten en tijdig te kunnen ingrijpen. Wanneer incidenten zich voordoen, is het van belang dat signalen sneller en beter worden herkend en opgepakt. Binnen de huidige structuur is de signalering en beoordeling van opkomende risico’s versnipperd. Om het zicht hierop structureel te verbeteren, beveelt de Raad de minister Medische Zorg en Sport aan om een gezaghebbende eenheid te creëren. Deze kan informatie uit zoveel mogelijk bronnen - zoals de wetenschap, het RIVM, de NVWA, bedrijven en consumenten – samenbrengen en op onafhankelijke wijze een integraal overzicht van opkomende risico’s voor de voedselveiligheid maken. De minister voor Medische Zorg en Sport zou er vervolgens voor moeten zorgen dat de rapportages zo snel mogelijk opvolging krijgen.

 

Bekijk hier de volledige onderzoekspagina met het rapport en de aanbevelingen.

Zorg en hulp onvoldoende toegerust op patiënten met ernstige psychische aandoening - Veiligheid van patiënten en hun omgeving kan beter

De veiligheid van mensen met een ernstige psychische aandoening en die van hun omgeving is onvoldoende geborgd in het huidige zorgsysteem. De complexe problematiek is daarnaast van invloed op hun zelfredzaamheid. Bovendien zijn zij voor zorg en hulp afhankelijk van veel verschillende organisaties, die niet vanzelfsprekend met elkaar samenwerken. Dit blijkt het uit rapport ‘Zorg voor veiligheid – Veiligheid van mensen met een ernstige psychische aandoening en hun omgeving’ dat vandaag is gepubliceerd.

De Onderzoeksraad publiceert met dit nieuwe onderzoek in korte tijd zijn tweede rapport dat zich richt op de relatie tussen veiligheid en (psychische) zorg. Het onderzoek ‘Forensische zorg en veiligheid - lessen uit de casus Michael P’ richtte zich naar aanleiding van één ernstig incident op de zorg aan gedetineerden en de wijze waarop het veiligheidsbelang daarin is gewogen. Uit dat onderzoek blijkt dat er onvoldoende is nagegaan of het toekennen van vrijheden aan Michael P. gevaar zou opleveren voor de omgeving. De risico’s werden niet goed in kaart gebracht. Forensische instellingen blijken terughoudend met het verstrekken en delen van informatie waardoor er weinig zicht is op de veiligheidsrisico’s. Het vandaag gepubliceerde onderzoek beschrijft het systeem van zorg voor mensen met een ernstige psychische aandoening die in onveilige situaties zijn beland. Ook hier ziet de Raad dat zorgverleners en instanties terughoudend zijn met het verstrekken en delen van informatie. Het voorkomen van onveilige situaties voor deze patiënten en hun omgeving stelt hoge eisen aan de zorg- en hulpverlening. Het huidige systeem en de wet- en regelgeving zijn echter onvoldoende ingericht op de complexe zorgbehoefte van deze groep patiënten.

Aanleiding

Nederland telt ongeveer 250.000 tot 300.000 mensen met een ernstige psychische aandoening (EPA). Ongeveer 20.000 mensen uit deze groep verkeren in acute zorgnood. Voor hen is de problematiek vaak chronisch en meervoudig. Het huidige zorgstelsel is zo ingericht dat niet de zorgbehoefte van de patiënt met een EPA centraal staat, maar dat het zorgaanbod van instellingen leidend is. De verschillende problemen worden elk door verschillende organisaties opgepakt. Personen met een EPA mijden soms zorg of zijn als gevolg van hun aandoening niet goed in staat om hun eigen hulpvraag te formuleren, hoewel dit een belangrijk uitgangspunt in de zorg is. De Onderzoeksraad heeft zeven casussen onderzocht waarbij de veiligheid van deze mensen en hun omgeving in het geding was. In de praktijk blijkt dat er op het gebied van veiligheid nog winst valt te boeken voor zowel patiënten als hun omgeving. Veiligheid wordt door de Raad beschouwd als onlosmakelijk onderdeel van goede zorg.

Het kost veel tijd om de juiste hulpbehoefte voor mensen met een EPA vast te stellen. Naast geestelijke gezondheidszorg (ggz) hebben zij ook vaak hulp nodig op het gebied van huisvesting, financiën, relaties, werk en dagbesteding. Als de hulpbehoefte eenmaal duidelijk is, kan het echter lang duren voor dat een EPA- patiënt ook de juiste hulp krijgt aangeboden. De financieringsstructuren voor zorg en ondersteuning zijn nu niet ingericht op het bieden van de meervoudige hulp die deze kwetsbare groep nodig heeft. Wachttijden in de ggz en in het sociale domein belemmeren de toegang tot passende zorg en hulp. Daarbij komt dat zorgaanbieders zich terughoudend opstellen in het aanbieden van deze relatief dure zorg.

Informatie-uitwisseling en veiligheidsrisico’s

Zorgverleners hebben onvoldoende zicht op de veiligheidsrisico’s van de patiënt en zijn omgeving. Betrokken partijen werken met verschillende systemen om gegevens vast te leggen. Door deze versnippering van informatie bij verschillende partijen, ontstaat er geen compleet beeld van de patiënt om de juiste hulp te kunnen bieden. De bevoegdheid voor het delen van informatie ligt bij de professionals zelf en hierdoor zijn zij afhankelijk van elkaars inzet en bereidheid om de juiste informatie te delen. Als gevolg hiervan worden niet alle veiligheidsrisico’s onderkend. Initiatieven om de toegang tot informatie te verbeteren, richten zich nu alleen op het delen van informatie tussen patiënt en zijn zorgverlener. Wanneer dit ook gericht is op het delen van informatie tussen zorgverleners onderling, kunnen zij beter voldoen aan de hulpbehoefte van de patiënt en kunnen risico’s beter worden ingeschat. 

De Raad constateert dat het professionals niet eenvoudig wordt gemaakt om maatwerk te leveren aan mensen met een EPA. Zij moeten een complex totaalpakket van zorg en ondersteuning realiseren binnen een stelsel dat niet is ingericht is op mensen met meerdere problemen. Hierdoor ontstaat het risico dat de geleverde zorg en ondersteuning onvoldoende aansluit op de hulpbehoefte van de patiënt. Doordat professionals zich nu laten leiden door regelgevende kaders, komt de patiënt niet op de eerste plek. De noodzaak om onderlinge samenwerking te bevorderen tussen professionals schiet te kort. Ondanks dat betrokken partijen wel de intentie hebben om vanuit een gezamenlijke afstemming hulp te verlenen.

Aanbevelingen

De Raad stelt vast dat er diverse initiatieven bestaan om de zorg en ondersteuning aan personen met een EPA te verbeteren. In juli 2018 is het Hoofdlijnenakkoord getekend voor de gehele ggz, waarin de zorgbehoefte van de patiënt centraal staat. Om structureel passende zorg voor personen met een EPA te kunnen bieden, die aansluit op de zorgbehoefte, beveelt de Raad de minister en staatssecretaris van VWS aan een aanvullend akkoord af te sluiten met meerdere partijen dat specifiek gericht is op zorg en hulp aan de meest kwetsbare personen met een EPA. Hierin dienen maatregelen te zijn opgenomen op het gebied van financiering, informatie-uitwisseling en handelingsruimte van professionals. Dit moet leiden tot een zorgaanbod vanuit één budget dat aansluit op hun behoefte aan zorg en ondersteuning, waardoor patiënten beter worden geholpen en de veiligheid van hen en hun omgeving verbetert.

 

Bekijk hier de volledige onderzoekspagina met het rapport en de aanbevelingen.