Werkwijze

Het voornaamste doel van het werk van de Raad is het voorkomen van toekomstige voorvallen of de gevolgen daarvan te beperken. Het onderzoek van de Raad beoogt niet alleen de feitelijke oorzaken van voorvallen aan het licht te brengen, maar ook de achterliggende oorzaken. Op die manier kunnen tekortkomingen van het gehanteerde systeem worden opgespoord. Wanneer daarbij structurele veiligheidstekorten aan het licht komen, kan de Raad aanbevelingen formuleren om deze tekorten te verhelpen.

Onderzoek naar schuld of aansprakelijkheid maakt nadrukkelijk geen deel uit van het onderzoek door de Raad. Verklaringen die zijn afgelegd in het kader van een onderzoek van de Raad, informatie die de Raad heeft verzameld, resultaten van technische onderzoeken en analyses, opgestelde documenten (inclusief het gepubliceerde rapport) mogen niet worden gebruikt als bewijs in strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of civielrechtelijke procedures. Dat houdt onder meer in dat naast het onderzoek van de Raad wel apart (strafrechtelijk) onderzoek kan plaatsvinden naar de schuldvraag.

Ook blijft het voorkomen dat bij minder zware voorvallen naast de Raad ook anderen, zoals inspecties, een eigen onderzoek uitvoeren vanuit bijvoorbeeld hun wettelijke taak zoals justitiële autoriteiten of inspecties.

Verstoringen van de openbare orde, handhaving van de rechtsorde door bevoegde autoriteiten en het optreden van de krijgsmacht in oorlogssituaties of tijdens operaties ter handhaving van de internationale rechtsorde (vredesmissies) vallen buiten het onderzoeksveld van de Raad. Dat neemt overigens niet weg dat voorvallen in oorlogssituaties en tijdens vredesmissies, die kennelijk niet zijn veroorzaakt door een krijgshandeling, wel kunnen worden onderzocht.

Het onderzoeksproces zelf kent een aantal fasen: Na een voorval wordt altijd in eerste instantie een verkennend onderzoek gestart van maximaal enkele maanden om vast te stellen of er sprake is van een voor de Raad onderzoekswaardig structureel veiligheidstekort. Ook een reeks van voorvallen kan aanleiding zijn om een onderzoek in te stellen. In de volgende fase wordt een plan van aanpak opgesteld. Het onderzoek zelf leidt tot een (concept) eindrapport, dat na de inzage, wordt vastgesteld en gepubliceerd.

Inzageprocedure
Om de kans op fouten te minimaliseren en ook om betrokkenen in staat te stellen gebruik te maken van hun recht op hoor en wederhoor kent de Onderzoeksraad een inzageprocedure. Die houdt in dat een concept van het rapport – nog zonder richtinggevend voorwoord en zonder aanbevelingen – aan betrokkenen ter hand wordt gesteld, met het verzoek er binnen vier weken commentaar op te geven. Indien er buitenlandse partijen betrokkenen zijn zoals bijvoorbeeld bij een luchtvaartvoorval het geval kan zijn, is de inzagetermijn 60 dagen. De Raad verwerkt de commentaren, indien hij ze onderschrijft, in de definitieve versie van het rapport. Als in de visie van de Raad een commentaar niet dient te leiden tot wijzigingen wordt dit in het definitieve rapport vermeld, meestal in een bijlage bij het rapport waarin de onderzoeksverantwoording is weergegeven.

Na publicatie van het rapport en toezending ervan aan degenen tot wie aanbevelingen worden gericht, krijgen deze betrokkenen een periode van maximaal zes (in het geval van overheidsinstanties) of twaalf maanden (in het geval van particulieren) om te reageren. De reactie moet worden toegezonden aan de minister die verantwoordelijk is voor het desbetreffende werkterrein. Een afschrift van deze reactie dient gelijktijdig aan de voorzitter van de Onderzoeksraad Voor Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties te worden verstuurd. Op deze manier kan het betrokken ministerie nagaan welke follow-up wordt gegeven aan de aanbevelingen. De Onderzoeksraad zelf heeft, in tegenstelling tot zijn voorganger, de Raad voor Transportveiligheid, nu ook zelf de wettelijke bevoegdheid om na te gaan wat er feitelijk met zijn aanbevelingen is gedaan.

Beoordelingskader
De Raad hanteert bij zijn onderzoek naast bestaande wet- en regelgeving en branchespecifieke normen, een eigen beoordelingskader. Daarin wordt onder meer aangegeven op welke wijze naar het oordeel van de Raad de betrokkenen bij een voorval de eigen verantwoordelijkheid hadden moeten invullen. Daarbij baseert de Raad zich op breed geaccepteerde en geïmplementeerde standaarden en normen, en op (inter-) nationale wet- en regelgeving.

De Rijkswet onderkent een aantal werkterreinen waarop onafhankelijk onderzoek door de Raad op grond van internationale verplichtingen altijd dient te worden uitgevoerd. Dat geldt vooral voor de luchtvaart, maar ook op het gebied van railverkeer en ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn vrijgekomen. Voor het overige beslist de Raad zelf, vanuit de eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid, welke (reeksen van) voorvallen worden onderzocht.